Koerekoere, klikklak, doef: Antwerpen in majeur
- bvanpaeschen5
- 8 jan
- 4 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 9 jan
Zoals het wel vaker gaat, schiet ik pas in actie als de deadline met rasse schreden nadert. Want eigenlijk had ik gehoopt om een tentoonstelling van afgelopen zomer in te zetten voor het portfolio. Had al die tijd de brochure en mijn notities netjes bijgehouden. Foto’s veilig in een mapje op mijn bureaublad gezet. Voorbereid was ik. Mij zouden ze niet liggen hebben, dit schooljaar.
Wél dus. Want het mocht geen expo zijn dit jaar. Dus scrolde ik tot diep in de nacht, maakte een account aan op ‘Uit met Vlieg’ en ging verwoest op zoek naar interessante podiumkunst. Ik ontdekte theatergezelschappen met de gekste namen en de coolste producties. Alleen: het moest ook haalbaar zijn: binnen een straal van twintig kilometer, vóór de deadline én liefst met de kinderen erbij. Want die wil ik – tussen al onze activiteiten door – ook nog opvoeden, culturele bagage meegeven en vooral van hun schermen wegtrekken. En zo kwam ik uit op Symphony for one hundred citizens and a traffic light. Ik las diagonaal waarover het ging en bestelde drie tickets. Ziezo, dat was ook weer afgevinkt.

Onze dochters zijn 12 en 13 jaar en hadden – geheel naar verwachting – totaal geen zin in de culturele uitstap op zaterdagavond. ‘Het is wel vakantie, hè mama.’ Dus drukte ik het programmaboekje af en las hen bij het avondeten snel voor – opnieuw diagonaal maar dan in de andere richting – waarover de voorstelling zou gaan: ‘Sirenes, straatmuzikanten, een drilboor, fietsen en motors. Allemaal op een podium.’ Mijn ultrakorte promopraatje deed zijn werk. In een mum van tijd zaten ze zusterlijk en verwachtingsvol achterin de auto.
Het verhaal van Symphony for one hundred citizens and a traffic light begint zeven jaar geleden in Antwerpen. Theatermaker en beeldend kunstenaar Thomas Verstraeten wandelt over de Meir, hoort zijn favoriete gitarist spelen en blijft staan om te luisteren. Plots merkt hij iets op: een verre sirene die perfect in harmonie klinkt met de song van de straatmuzikant. Iets dichterbij begint een hond te blaffen. Een drilboor zet een baslijn in.
Het doet hem denken aan Symphony of Sirens van Arseny Avramov. Die dirigeerde in 1922 in Bakoe, nu de hoofdstad van Azerbeidzjan, een megalomane compositie voor scheepshoorns, fabrieksmotoren, kanonnen en allerlei andere ‘instrumenten’, aangevuld met een koor van vijfduizend mensen. Thomas Verstraeten krijgt een idee: wat als we dat experiment vandaag opnieuw zouden proberen? Niet in openlucht, maar in een concertzaal. Wat als we de hele stad mee het podium op zouden halen?
Hendrik Storme, directeur van De Singel, vindt het meteen een fantastisch plan. Hij brengt Thomas Verstraeten in contact met Heleen Van Haegenborgh, een componiste die wel te vinden is voor een zot experiment.
Maandenlang zwerven regisseur en componiste door de straten van Antwerpen. Ze willen een ‘stadssymfonie’ maken. Om zo veel mogelijk mensen en hun klanken te leren kennen, sturen ze elkaar foto’s, video’s en geluidsopnames. Ze ontmoeten wegenwerkers, sluikstortopruimers, bouwvakkers, motorrijders, kermisuitbaters, schoenmakers, schilders, fitnessers, studenten en talloze andere stadsbewoners. Voor elke deelnemer schrijft de componiste een partij op maat. Niemand moet ‘theatraal’ spelen. Ze krijgen de opdracht om gewoon te doen wat ze altijd doen, met hun eigen virtuositeit.
Als we met z’n drieën plaatsnemen in de fluwelen stoeltjes van de Blauwe Zaal van De Singel, zien we op het nog donkere podium onder meer: een ambulance van het UZA, motorfietsen, een rode auto, een houten speelhuisje met een aluminium glijbaan, een groene glasbol, een nachtwinkel, een kermisattractie en drie verkeerslichten. Dan floepen de spots aan en komen de performers het podium op: arbeiders op een stelling, wegenwerkers in oranje outfits, vuilnismannen met rollende plastic vuilnisbakken, een moeder met een baby in de kinderwagen, jongelui al dribbelend met hun basketbal.

Als de dirigent het teken geeft, maken de bouwvakkers op de stelling hun geluid: raspend met hun spaan bepleisteren ze een muur. Ze krijgen bijval van autoportieren die open- en dichtslaan. Schoonmakers vegen plastic flesjes op een hoop. De deuren van de ambulance schuiven rammelend in hun metalen rail. De basketballen botsen ritmisch. Honden blaffen, een keffertje keft. De motards geven gas.
Miraculeus versmelten de geluiden van de stad in een zachte melodie. Een kleurrijk tableau vivant ontvouwt zich op het podium. Het is een maf mierennest van herkenbare handelingen en geluiden, van mensen die we elke dag zien en soms ook zijn.
Het mooist vind ik het als er kooitjes met duiven op het podium worden geplaatst, met een microfoon ernaast. De duiven krijgen nog gauw wat maïskorreltjes, en koeren er dan op los.

Plots gaat het regenen, afwisselend op een andere ondergrond: op het zand, op de kasseien, op het asfalt dat is opgewarmd onder de spots. De Blauwe Zaal vult zich met de geur van een zomerse plensbui. Een straatmuzikant speelt een deuntje op zijn saxofoon, en de avond valt. In de verte klinken de bassen van een luid feestje, ergens gaat een autoalarm af, de kerkklok slaat nog een laatste slag. Maar de stad zelf slaapt niet. Als de laatste feestgangers hun bed opzoeken, staan de schoonmakers weer klaar om het vuil op te vegen. Koerekoere, doen de duiven. Klikklak, zeggen de terrasstoeltjes als ze worden opengeklapt. Doef, klinkt het in het zand als petanquespelers hun zware bal gooien. Weer een nieuwe dag. Anvers s’éveille.
Als de voorstelling is afgelopen, volgt een eindeloos applaus en een staande ovatie voor die honderd mannen en vrouwen, jongens en meisjes, duiven en honden, de baby die zijn rol voortreffelijk speelde – met oorbeschermers, gelukkig – de straatmuzikanten, de honden en de duiven, de dirigent, Thomas Verstraeten en Heleen Van Haegenborgh. Wat een prestatie om dit zootje ongeregeld te brengen tot die wonderlijke symfonie. En vreemd toch, stel ik vast, dat wat ik buiten deze zaal ervaar als ‘storend lawaai’, ik nu geestig en bijna ontroerend vond.
Voor de les Nederlands dacht ik meteen aan mijn favoriete stijlfiguur: de onomatopee of de klanknabootsing. Ik stuur mijn leerlingen op pad met hun smartphone om geluiden op te nemen. Dat mogen alledaagse geluiden zijn, zoals dat van de koelkast die opengaat, of het klepperende geluid van de poes die door het kattenluikje glipt, of de buurvrouw die haar stoep schuurt. De opdracht: verzin onomatopeeën om je geluiden te beschrijven.


Opmerkingen